VKMO - Katholiek Netwerk

Het onderzoek van professor Erik Borgman | Overweging bij het begin van de Vastentijd

1.

Je komt ergens binnen – een nieuwe school, een nieuw bedrijf, een kennismakingsbijeenkomst van het een of ander – je komt als onbekende binnen en je bent bang dat er niemand met je wil praten. Straks vind niemand mij de moeite waard, is er niemand die wil horen wat ik te vertellen heb – dus begin je zelf maar te toeteren en dwingt anderen naar je te luisteren. Zo vergeet je dat het je er eigenlijk niet om gaat dat mensen je horen, maar dat je hoopt dat mensen je willen horen, omdat ze je de moeite waard vinden, niet omdat de je niet kunnen negeren. Dat we dit vergeten zijn heeft ons in een wereld gebracht waar waarachtige aandacht een schaars goed geworden lijkt. We schrikken van het pesten van kinderen op school, maar herkennen we echt het patroon niet: uit angst zelf niet geaccepteerd te worden dan maar anderen buitensluiten, zodat jij de regels bepaalt in plaats van aan de regels van anderen onderworpen te zijn? Vorig jaar stond ik met Aswoensdag bij het vreemdelingendetentiecentrum op Schiphol, en vroeg ik mij af of wij ongewenst verklaarde vreemdelingen niet opsluiten om ze aan het zicht te onttrekken en zo te voorkomen dat we herinnerd worden aan onze eigen kwetsbaarheid, onze afhankelijkheid van anderen die ons het goede gunnen – en voor het feit dat we elkaar vaak het goede niet gunnen. Kortom, Het lijkt erop dat wij steeds opnieuw, en tot schade van onszelf en van elkaar, willen vergeten wie we zijn.

            Maar het lukt ons niet, niet echt. Wat we verdringen komt altijd weer terug. Ik kom ze in ieder geval bij bosjes tegen: mensen die blijkbaar het gevoel hebben fundamenteel tekort te schieten, niet goed of mooi of slim of handig genoeg te zijn, zichzelf niet op de juiste manier te kunnen aanprijzen op de relatie- of arbeidsmarkt omdat ze ook te weinig in huis hebben om aan te prijzen. Mensen die je voor geen goud zou willen missen, maar zelf die geloven anderen vooral tot last te zijn. Als we collectief gaan denken dat onze waarde afhangt van wat we te bieden hebben, waarin kunnen we dan anders leven dan in een fantasiewereld waar we zijn wat we ons dromen: rijk, beroemd, zeker van onszelf en door anderen op handen gedragen. Al die kinderen die een ster hopen te worden, al die vrouwen die zich spiegelen aan de glamour van celebrities, al die mannen die dromen dat alle vrouwen voor ze vallen – het is alsof we maar niet kunnen geloven dat we zoals we zijn de moeite waard zijn dat we er zijn omdat we zoals we zijn gewild en geliefd zijn, dat we onvoorwaardelijk worden bemind.

 

2.

Inzien dat je tekort schiet, dat je fouten gemaakt hebt en waarschijnlijk opnieuw fouten zult maken, dingen zult doen die je niet zou moeten doen – schuld belijden – het kan alleen als er barmhartigheid is. Werkelijk toegeven dat er dingen niet goed gaan – niet dingen die eigenlijk niet zo belangrijk zijn, maar dingen die juist grote betekenis hebben en fundamenteel zijn – werkelijk zeggen dat je hebt gezondigd kan alleen als je kunt hopen dat het ergens toe leidt. De bewoners van Ninivé zagen in het optreden van Jona een teken dat ze niet aan zichzelf waren overgeleverd. Dat iemand de moeite nam om te zeggen dat wat zij deden toch echt niet deugde, zagen zij als een teken dat God bij hen betrokken was. En als de God van leven en geluk bij onze geschiedenis betrokken is, dan heeft het zin te hopen. Dan heeft het zin te hopen op een toekomst die niet gevangen is in wat wij ons kunnen voorstellen en wat wij weten te realiseren. Dan kan er iets nieuws gebeuren en de Ninivieten laten zich door die mogelijkheid aanspreken, stellen zich open voor wat kan komen en vragen om er deel van te mogen uitmaken. Niet op hun voorwaarden, maar op de voorwaarden van de God die als enige nieuwe toekomst geven kan.

            Zoals de farizeeer in de gelijkenis van Jezus God in zijn zak denkt te hebben, maar de tollenaar weet dat hij bevrijding nodig heeft van wat hij van zichzelf heeft weten te maken en dat deze bevrijding alleen van God kan komen. Toegeven dat je tekort schiet is een teken stellen van hoop: hoop dat bevrijding uit een pijnlijke situatie waar je zelf deel van uitmaakt, mogelijk is, ook voor jou. Het kan pijnlijk zijn jezelf in de ogen te kijken, het kan nog veel pijnlijker zijn om af te leggen wat je gevangen houdt, maar waar je van jou kant ook houvast aan ontleent. Het kan uitermate pijnlijk zijn, maar het heeft zin.

 

3.

De hoop dat er iets mogelijk is waarvoor we zelf niet kunnen zorgen heeft, zo geloven wij, een naam en een gezicht: Jezus Christus, beeld en gelijkenis van de God van leven en geluk, van barmhartigheid die hoop schept. In de spiegel die Jezus voor ons is, zien wij wat wij kunnen zijn: mensen die niet weglopen voor onze zwakte en onze pijn, voor het mislukken van onze plannen en voor het klaarblijkelijk doodlopen van ooit vol verwachting ingeslagen wegen. Mensen die niet hangen aan wat een illusie is gebleken, zonder cynisch de moed te verliezen. Jezus, die tijdens zijn leven angst wist om te vormen tot vertrouwen, uit ziekte heling te voorschijn riep, bezetenheid en bevangenheid liet plaatsmaken voor hoop, uit chaos orde en uit dood leven schiep, deze Jezus werd zelf als eersteling door God uit de dood tot leven gewekt. Wij laten ons vanavond tekenen met zijn kruis, teken van de weg ten dode die in hem een weg ten leven werd. Opdat onze levensweg, waar ze lijkt dood te lopen, een doorgang wordt naar geluk en liefde.

            Ons ware gezicht als mensen die leven van Gods betrokkenheid en Gods liefde, is in Jezus openbaar geworden. Steeds opnieuw duwen we dat gezicht buiten beeld en steeds opnieuw zetten we onszelf vast in een beeld dat we zelf scheppen van gelukkig en vervuld leven en dat we zelf denken te kunnen realiseren. Steeds opnieuw moeten we ontdekken dat we zo buitensluiten wat we werkelijk zijn en de weg blokkeren naar wat we geroepen zijn om te zijn, mensen van God. En steeds opnieuw doet Jezus zo zijn gezicht oplichten om ons te herinneren aan ons ware gezicht dat hijzelf is. Vandaag, aan het begin van de veertig dagen op weg naar Pasen, laten wij ons tekenen met het stof van de aarde waaruit we gemaakt zijn. Zo vragen wij hem ons te herscheppen naar Gods bedoeling, ons ware gezicht op te delven en ons om te vormen tot wie wij in hem voor Gods aangezicht waarachtig zijn: gemaakt uit stof van de aarde, terugkerend tot stof van de aarde, maar onherroepelijk geroepen om uit het stof van de aarde op te staan. – Dat het zo mag zijn.