VKMO - Katholiek Netwerk

Visies & Visioenen | Het visioen van FNV Vakcentrale, door Agnes Jongerius



Werk & Waardigheid

Door Agnes Jongerius, voormalig voorzitter FNV

www.fnv.nl

 

“Nauwelijks nieuwe vaste arbeidsrelaties in 2011”. Dat bleek uit onderzoek van het UWV. In het jaar 2011 werd Nederland  kampioen “flex.” Slechts tweeduizend mensen in Nederland kregen een vaste verbintenis. Wat zijn de gevolgen voor deze mensen en voor de economie? Moet dit kampioenschap overtroffen worden?

 

In het publieke debat gaat het over de gevestigden — zij met een va st contract, redelijke tot goede arbeidsvoorwaarden en bestaanszekerheid. Daar staat een leger aan buitenstaanders tegenover. Oproepkrachten, mensen werkzaam in payrollconstucties of met een tijdelijk contract. Die banen hebben vaak beduidend slechtere arbeidsvoorwaarden en leiden tot grote onzekerheid. Soms is het voor deze mensen onduidelijk of ze de volgende dag nog werk hebben of moeten ze met meerdere kleien baantjes de eindjes aan elkaar zien te knopen. In het publieke debat worden jong en oud nu tegenover elkaar gezet. Waarbij jong staat voor flexibel en oud voor vastigheid. Jongeren zouden geen probleem hebben met flexibele arbeidscontracten maar ook voor hen geldt dat ze vastigheid willen. Bij het zoeken naar oplossingen voor deze tweedeling gaat men uit van de onjuiste gedachte dat de een er alleen maar op vooruit kan gaan als de ander inlevert. Dat het tij niet te keren valt en gelijke behandeling alleen nog te realiseren is onder het motto; ” even slecht is ook gelijk.”

 

Flexibilisering, de revolutie op de arbeidsmarkt was in Nederland binnen tien jaar rond. Al in 1995 verschenen er zorgelijke rapporten over de abominabele arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden aan de (flexibele) onderkant van de arbeidsmarkt. Die ontwikkeling zette door. Zo zeer zelfs dat nu ruimt twee miljoen werknemers zijn werkzaam binnen een flexibele arbeidsrelatie.

De problemen met deze flexcontracten zijn bekend: makkelijk ontslag, minder scholing, slechtere beloningen en het voor “jou tien anderen”. Mond houden en doorwerken. Voor werkgevers in de ban van geld en concurrentie zijn werknemers een onkostenpost. De argumenten van het bedrijfsleven klonken aannemelijk. De starre arbeidsverhoudingen moesten doorbroken worden en flexibiliteit wordt als heel belangrijk beschouwd. De sociale partners sloten een akkoord “Flex en Zekerheid” in 1996. De bedoeling van de vakbeweging was flex in goede banen te leiden en dat mocht ook een vaste baan zijn bij een uitzendbureau. Maar dat pakte anders uit. Zo was de regeling voor tijdelijk contracten bedoeld als opstap naar een vaste baan maar werd in de praktijk een afstap. Even drie maanden er uit en dan misschien weer een contract voor een jaar.

 

Aan flexibiliteit blijken meer kwalijke kanten te zitten. Het werken in een flexibele economie kan zelfs karakters aantasten, meent de Amerikaanse socioloog Sennett. Flexibele mensen worden steeds belangrijker geacht en die moeten daar dan ook de vaardigheden voor hebben zoals het nemen van risico’s. Lariekoek volgens Sennett. Voor mensen die de connecties en de kwaliteiten niet hebben heeft risico’s nemen een heel ander betekenis. “They  don’t take risks but they are at risk.”

 

Tegelijkertijd is de ideologie dat als je echt iets wilt, alles mogelijk is. Ook mensen zelf overschatten de mogelijkheid waarin zij de regels van het spel kunnen bepalen. En als het misgaat, geven zij zichzelf de schuld. Alsof succes een keuze is en voor iedereen binnen handbereik. We willen ons van de last van anderen bevrijden maar de keerzijde is dat anderen dat ook doen. Hoe autonomer anderen worden hoe minder ze jou nodig hebben. Een andere keerzijde is dat het een schande wordt van anderen afhankelijk te zijn. Dat zie je in de discussie over de verzorgingsstaat. Niet voor jezelf kunnen zorgen is iets om je voor te schamen. Sennett heeft het over verbondenheid creëren dwars door de flexibiliteit heen. Over vakmanschap dat duidt ogenschijnlijk misschien op een manier van leven die door de komst van de industriële samenleving in verval is geraakt, maar dat is misleidend. Vakmanschap staat voor een duurzame, basale menselijke drijfveer, het verlangen om goed werk uit te voeren omwille van het werk zelf. Dus duurzaam werk. Werk waarmee mensen hun waardigheid behouden en zich kunnen ontplooien. Er voldoende zekerheid is en inkomsten zijn om van te leven. Dat hoeft niet per se in een baan voor het leven te zijn, maar mag wel.

 

Willen we alles bij het oude laten? Het duurzame van werk  schuilt in het vormgeven van beleid waarbij mensen zonder problemen ook van baan naar baan kunnen gaan. Dat is dus niet iets tijdelijks. Het gaat om een duurzaam perspectief op werk, inkomen en persoonlijke ontwikkeling, ongeacht het arbeidscontract, ras, afkomst, sekse of leeftijd.

Waardigheid in werk laat zich vergezellen van goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en voldoende toekomstzekerheid. Respect voor het werk en vakmanschap hoort daar bij!

 

Dus: neen laten we het kampioenschap “flex” niet verder overtreffen maar bijvoorbeeld afspraken maken over gelijke behandeling van werknemers, flex en vaste krachten en over beschaafde ontslagbescherming. Indien werkgevers meer flexkrachten aannemen zou dat moeten leiden tot een hogere premie heffing voor de werkgever. Een dergelijk toekomstbeeld is geen utopie maar gewoon een kwestie van goede afspraken maken met werkgevers en overheden. Van outsiders insiders maken door de arbeidsvoorwaarden voor alle werknemers gewoon goed te regelen!